Letterkunde

Tussen vertwijfeling en hoop - Luc Renders

  • Machteloze engelen
  • Het verleden als ballast
  • Op zoek naar het verleden
  • Beperktheid van mens en bestaan
  • Ook door Woordwerk van Breyten Breyrenbach loopt de dood als rode draad
  • Diverse ontwikkeling

In de Zuid-Afrikaanse literatuur is de rauwe realiteit nadrukkelijk aanwezig: geweld, criminaliteit, bittere armoede, uitzichtloosheid, uitbuiting en uitsluiting zijn schering en inslag. Het leven is een doffe ellende. Toch slaagt de mens er telkens in deze grauwe mistroostigheid te doorbreken en vertroosting te vinden.

Een treffend voorbeeld van dit dualisme is het verhaal 'Maar daar is' uit Feeks, de jongste verhalenbundel van Riana Scheepers. Het beschrijft een bejaard echtpaar dat overvallen werd. De vrouw kan het trauma moeilijk verwerken. Dan komt hun oude, zwarte bediende haar opzoeken. Dit gebaar van mededogen maakt heling mogelijk: "Daar is nie troos in hierdie land nie, weet die vrou, maar daar is". Afrika is zowel ongenadig als barmhartig.

Doorheen Feeks loopt een strakke magisch-realistische draad. Er zijn bovennatuurlijke krachten aan het werk die de mens beschermen tegen de aanslagen van de medemens en van het leven. Hierdoor wordt overleven mogelijk. De emotie haalt het op de rede. Riana Scheepers bespeelt in Feeks met flair en trefkracht een breed thematisch register.

Machteloze engelen

Dat de mens meer dan ooit nood heeft aan engelbewaarders blijkt overduidelijk uit Die lewe is 'n halwe roman van S.P. Benjamin. Deze bundel, waarin de verhalen bijna naadloos bij elkaar aansluiten, brengt de bevestiging van zijn schrijftalent. De engelen die, ietwat nodeloos, in de proloog opgevoerd worden, zijn echter niet opgewassen tegen hun taak.

De meeste verhalen spelen zich af in de krottenbuurt Happy Valley. Alle hoofdpersonages zijn door het leven verminkt. Hun omstandigheden zijn erbarmelijk en het leven dat ze leiden is uitermate precair. Voor hen bestaat er geen securiteit of geborgenheid meestal als gevolg van de dreiging die van hun naaste omgeving uitgaat. De volslagen troosteloosheid van een verkommerd bestaan wordt door de verzuchting naar of de herinnering aan iets beters nog dikker in de verf gezet. Het paradijs bestaat echter niet en het leven is een hel. Benjamin beeldt zijn personages, de zwakkeren in de maatschappij, met grote deernis uit. De afgestroopte schriftuur geeft met verbijsterende directheid de onverbiddelijkheid van deze barre leefwereld weer.

Dat het leven in de krottenbuurten en townships inderdaad allesbehalve fraai is, blijkt ook uit het autobiografische werk Ek, Joseph Daniel Marble. Joseph Marble groeide in de zeventigerjaren in de kleurlingtownships van Johannesburg op. Hier geldt alleen de wet van de sterkste. Bendes terroriseren de woonbuurten en het familiale weefsel is er volledig ontrafeld. Geweld is alledaags en sex, zelfs op zeer jeugdige leeftijd, een vanzelfsprekendheid. Het leven is tot zijn primitiefste vorm herleid. In een dergelijke omgeving moet het individu ontsporen.

Ek, Joseph Daniel Marble schetst een ontluisterend beeld van het leven in de kleurlingwoonbuurten. Meer nog dan de schokkende incidenten wijst de naïviteit van de verteller, die zich nauwelijks bewust lijkt van de onaanvaardbaarheid van zijn vroegere gedrag, op volslagen bandeloosheid. Het pleidooi voor meer aandacht voor de kinderen in welzijnszorg en het besef dat het leven toch meer te bieden heeft, zijn de enige schrale tekens van hoop in een ongezouten werk dat zonder franjes de nachtzijde van het leven onthult.

Het verleden als ballast

Het is niet abnormaal dat men uit een dergelijke omgeving wil ontsnappen. Daarover gaat Klapperhaar slaap nie stil nie, de debuutroman van Kirby van der Merwe. Klapperhaar is de bast van de kokosnoot die gebruikt wordt om matrassen op te vullen. Het is geen luxe-artikel. De titel verwijst dan ook naar de miserabele levensomstandigheden in de kleurlingwijken in Zuid-Afrika.

Kinta Januarie heeft zich opgewerkt tot een succesvolle advokate. Ze woont in een modieus ingericht huis in Kaapstad; met haar familie heeft ze haast geen contact meer. Haar verleden heeft ze van zich afgeschud. Als haar vader, die ze nooit heeft gekend, in een coma in het hospitaal wordt opgenomen, leidt dit onvermijdelijk tot een confrontatie met haar achtergrond. Met Hans, een blanke jeugdvriend van haar vader, knoopt ze vriendschapsbanden aan. Met Gustav, een hospitaaldokter, die op haar verliefd raakt en op de begrafenis van haar vader zwaar wordt toegetakeld door een kleurlingbende, lijkt een mooie toekomst in het vooruitzicht. De clichés worden lustig rondgestrooid.

Centraal staat de identiteitsproblematiek. Kinta heeft haar keuzes gemaakt. Van het heroverwegen van haar opties is er geen sprake waardoor de tegenstelling tussen heden en verleden, tussen Kaapstad en de kleurlingbuurten onvoldoende wordt ontgonnen. Hierdoor ontbreekt het de roman aan spankracht. Kinta is even vaal en steriel als het huis waarin ze woont.

Kirby van der Merwe heeft onmiskenbaar schrijftalent. In Klapperhaar slaap nie stil nie komen heel wat mooie passages voor. De verhaaldraden worden echter niet tot een hecht geheel vervlochten en de karaktertekening blijft al te stereotiep. Nochtans stelt deze roman, door de focus op de identiteitsproblematiek van de kleurling tegen de achtergrond van het transformatieproces in Zuid-Afrika, een erg actueel vraagstuk aan de orde.

Kwalitatief hoogstaander is de bundel Die stukke wat ons sny, een verzameling verhalen van kleurlingschrijvers samengesteld door Hein Willemse. De meeste verhalen zijn gesitueerd in de kleurlinggemeenschap. Ze handelen over een grote verscheidenheid van onderwerpen: de apartheid, oude legendes, bijgeloof, dagdagelijkse beslommeringen en de kommer en kwel in menselijke verhoudingen. De kleine man trekt altijd aan het kortste eind. Het leven is hem niet welgezind; het weet telkens zijn verwachtingen te ondergraven. Daarom moet de mens zichzelf niet te ernstig nemen. De humor werkt relativerend en verzoenend. Die stukke wat ons sny bevat mooie bijdragen van een aantal erg getalenteerde schrijvers.

Zoals in Klapperhaar slaap nie stil nie is ook in Boendoe van Chris Barnard het verleden tot verboden zone verklaard. Boendoe betekent wildernis, onherbergzaam, verlaten gebied. Op de grens met Mozambique doet Brand de la Rey aan ecologisch onderzoek. Veel gezelschap heeft hij niet: zijn helper Vusi, Strydom, Jock Mills en op de nabijgelegen missiepost cum hospitaal, naast dokter Vukile Khumalo en een drietal zusters, ook Julia, een Afrikaanse zoals Brand.

Door de aanhoudende droogte moet de missiepost plots een toevloed van uitgehongerde vluchtelingen opvangen. De toestand raakt steeds dramatischer. Het evacueren van de noodlijdenden in een oude Dakota is de enige manier om een ramp af te wenden. Hoewel vol spanning tart deze oplossing alle verbeelding waardoor de roman aan geloofwaardigheid inboet. Bovendien verschuift het accent teveel van karakteranalyse naar verloop en afloop van de intrige.

Boendoe geeft gestalte aan de existentiële eenzaamheid van de mens. Het geluk is niet te grijpen. Het individu botst steeds op onbeheersbare en onwrikbare krachten die, zoals de hongersnood en de droogte, deel uitmaken van het "groot proses". De mens moet zijn beperktheid en sterfelijkheid aanvaarden. Hij kan alleen zijn leven zo zinvol mogelijk maken door de anderen te helpen en met weinig tevreden te zijn.

Chris Barnard weet als geen ander sfeer te scheppen. Door een gebrek aan diepgang slaagt Boendoe er echter niet in, zoals de Dakota van Jock Mills, voldoende hoogte te winnen.

Op zoek naar het verleden

Waar Kinta Januarie haar verleden uitwist, probeert Nicolaas Alettus Lazarus, of Vossie, de hoofdfiguur uit Draaijakkals van George Weideman, de sluier ervan op te lichten. Als weeskind heeft hij nog een vage herinnering aan zijn moeder maar van zijn vader kent hij alleen de vermoedelijke naam. De speurtocht naar zijn vader is een zoeken naar identiteit. Nicolaas, een "halfnaatjie" of kleurling, is klein van stuk maar groot van hart. Tijdens zijn omzwervingen heeft hij al zijn moed, vernuft en acteertalent nodig om de moeilijkheden het hoofd te bieden. Dat hij het daarbij niet altijd even nauw neemt met de tien geboden, is ingegeven door zijn overlevingsdrang. Hij is als een jakhals die zich aan de moeilijkste omstandigheden weet aan te passen en er zelfs munt weet uit te slaan.

Draaijakkals knoopt aan bij de traditie van de schelmenroman. Alles wordt uitvergroot. De zwart-wit karaktertekening en de doldrieste avonturen laten geen ruimte voor nuancering. De lezer wordt in een onweerstaanbare draaikolk van emoties meegesleurd. Tragische, romantische, scabreuze, komische en kluchtige episodes wisselen elkaar voortdurend af. In deze mallemolen wordt het leven gekenschetst als een circus waarin de kleine schelmen gewoonlijk aan het kortste eind trekken. De grootste schelmen zijn de hoogwaardigheidsbekleders. Vanuit zijn positie als gemarginaliseerde legt Nicolaas hun hypocrisie, machtsdrift, hebzucht, kleinmenselijkheid en immoraliteit bloot.

De situering van het gebeuren tegen de geschiedkundige achtergrond, grofweg de periode tussen de twee wereldoorlogen, geeft aan de maatschappijkritiek nog meer reliëf. Vooral de opkomst van het nazisme en van het Afrikaner nationalisme krijgt ruimschoots aandacht. Het slot van de roman, dat ongelukkig te veel van een deus-ex-machina heeft, laat Nicolaas verweesd achter. Misschien doet het er helemaal niet meer toe. Wie wil immers leven in een wereld waarin identiteit slechts een middel tot onderdrukking en uitrangering is?

De schrijver heeft de wemeling van personages en de veelheid van verhaaldraden onder strakke controle weten te houden. Draaijakkals is een werk met epische allure waarin Weideman de passie preekt tegen onrecht en discriminatie. Hij schrijft met sterk inlevingsvermogen over de mensen en het landschap van de Noordkaap en Namibië. Draaijakkals is een overrompelend boek dat terecht met de belangrijkste Zuid-Afrikaanse literaire prijzen werd bekroond.

Terwijl Nicolaas Alettus Lazarus een vruchteloze zoektocht naar zijn vader onderneemt en tot het besef komt dat het verleden weinig of geen sporen heeft nagelaten, vindt Karel Schoeman in Stamland, een mijmerend reisverslag over een kort bezoek aan Nederland, voortdurend aanknopingspunten met Zuid-Afrika. Voor de schrijver is het verleden de sleutel tot het heden. Stamland is doortrokken van nostalgie omdat Karel Schoeman erin afscheid neemt van een land dat hem nauw aan het hart ligt. Dit boeiende reisverslag verschaft tevens een breder perspectief op diens literair en geschiedkundig werk.

Het verleden bekleedt in de Zuid-Afrikaanse literatuur een prominente plaats. Vooral de herdenking van de Anglo-Boerenoorlog inspireert de schrijvers. Groot duiwels dood van Eleanor Baker is een historische roman op de oude leest. Het werk bevestigt alle stereotypen over de oorlog: de Boeren voeren een onversaagde vrijheidsstrijd met God aan hun kant tegen een Engelse overmacht; ze zijn allen onverschrokken helden, hun vrouwen blijven standvastig tot in de dood; de Engelsen zijn wreedaardig en de zwarten onbetrouwbaar; Boeren die de strijd opgeven zijn verraders. Het resultaat is een al te voorspelbaar en al te melig melodrama.

Boereoorlogstories, een verzameling van 34 verhalen van 30 verschillende auteurs samengesteld door Jeannette Ferreira, gaat daarentegen wel in tegen gevestigde opvattingen. Naast verhalen met een traditionele aanpak zijn er andere waarin de nationalistische interpretatie van de oorlog radicaal wordt ondermijnd. Nu zijn de Boeren ofwel bloeddorstig en onbesuisd, ofwel lafhartig en oorlogsmoe. Ze worden alleen door fanatieke leiders in het veld gehouden. Joiners en hensoppers zijn niet langer laakbaar. Ze leggen de wapens neer uit desperaatheid of omdat ze de zin van verder vechten niet inzien. De vrouw van de Boer wordt minder idealistisch voorgesteld. Ofwel wil ze niet langer dat haar man op oorlogspad gaat, ofwel treedt ze op als matriarch van de familie die door haar dwarse koppigheid het bloedvergieten in de hand werkt. De Engelsen worden gehumaniseerd. Ze worden verliefd, soms zelfs op Afrikaner meisjes, doorstaan angst en pijn en sterven. Zelfs de idee dat God aan de kant van de Boeren staat, wordt doorprikt als een ijdele illusie. Een aantal verhalen uit Boereoorlogstories brengt een onthutsend correctief op de van oudsher nationalistische inkleuring van de Anglo-Boerenoorlog.

Beperktheid van mens en bestaan

De mens is niet perfect. Vos van Anna M. Louw en My simpatie, Cerise van Eben Venter spelen in op de feilbaarheid van de mens. Vos is een historische roman die handelt over de grootste aller zonden, namelijk de opstand tegen God. De roman geeft aan het Faust-motief een Zuid-Afrikaanse invulling. Het platteland wordt geteisterd door droogte en Vos ziet zijn boerderij ten gronde gaan. Hij komt in opstand tegen wat hij als een onrechtvaardigheid van God beschouwt en gaat een verbond met de duivel aan. Het legt hem geen windeieren. Na een duiveluitdrijving komt Vos tot het besef dat hij moet afzien van elke begeerte en in alle eenvoud moet leven. Hij besluit om zijn boodschap uit te dragen aan iedereen die het wil horen, zonder veel succes weliswaar. Vos blijft een getormenteerde ziel voor wie tevredenheid niet is weggelegd.

Vos gaat over de oerkeuze tussen goed en kwaad. Toch mist de roman overtuigingskracht vooral door de geforceerde inwerking van het bovennatuurlijke, de al te bruuske gedaanteveranderingen die Vos ondergaat, diens problematische verhouding met vrouw en kind en de tegenstrijdigheden in de slothoofdstukken.

Begeerte, in de vorm van machtswellust, drijft ook de schatrijke Roland Cox uit My simpatie, Cerise van Eben Venter. Cox vertoeft in de hoogste kringen van Melbourne. Zijn tuinier, de Ier Robert Mackie, observeert zijn doen en laten en dat van zijn vrouw Cerise, een vreselijke ijdeltuit. De roman dobbert van het ene incident naar het andere. Het echtpaar Cox is uitsluitend op uiterlijk vertoon gesteld. Onder de oppervlakte zijn Roland en Cerise Cox gewetenloos en gevoelloos.

Het probleem van het echtpaar Cox is het probleem van de roman zelf. Deze is weinig meer dan een lege doos. De personages komen niet tot leven, de intrige is onbenullig. Zelfs de meest geladen taferelen: Roland Cox die zijn dochter Tiffany als sexspeeltje aan een Japanse gast aanbiedt, de dood van Tiffany en het doodschoppen van een bokje, roepen haast geen emotionele reactie op. Nooit ontstaat er een gevoel van empathie of afkeer. De tragiek van het rijkeluisleven van Roland en Cerise Cox krijgt onvoldoende gestalte. En ook als satire of aanklacht werkt My simpatie, Cerise niet.

Buller se plan van Ingrid Winterbach, alias Lettie Viljoen, is ongetwijfeld het meest contentieuze werk van het afgelopen jaar. Sommige critici blazen de loftrompet terwijl andere de tekst ongenietbaar langdradig vinden. Ingrid Winterbach bevestigt met dit boek alleszins haar reputatie als eigenzinnig schrijfster. Buller se plan ligt in het verlengde van haar vorige werken, maar heeft een inhoud en een stijl die beslist nog weerbarstiger zijn. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt. Of zijn inspanning beloond wordt, hangt van zijn persoonlijke appreciatie en eruditie af.

De titel verwijst naar de slag van Colenso aan het begin van de Boerenoorlog waar de Engelse generaal Buller een onverwachte nederlaag tegen de Boeren leed. Dit gegeven omraamt het verhaal dat focust op Ester Zorgenfliess die op Steynshoop, een dorpje op het platteland, de begrafenis bijwoont van Selene Abrahamson, een vriendin van haar neef Boeta. Ze ziet er ook Fonny terug. Haar verblijf duurt 17 dagen waarna ze naar man en kind terugkeert.

De verhaallijn is erg schraal. De dagen hebben een haast identiek patroon: er gebeurt steeds hetzelfde. Naast Ester worden ook Daan Theron en zijn vrienden beschreven. Ze zijn op zoek naar de talking head, een ziener. 's Avonds is het Steynhuis een trekpleister voor iedereen die Jan de Dood wil zien optreden.
In Buller se plan zijn de dood en de verwerking van verdriet sleutelmotieven. Het leven is een dance macabre. Toch wordt de hoop nooit opgegeven en blijft de mens naar zingeving zoeken. Iedereen volgt daarbij zijn eigen weg. Zo heeft een mystieke ervaring een bepalende impact op Fonny; Marta Vos dan weer probeert de perfecte schikking voor de meubels in haar zitkamer te vinden. Het leven in het aanschijn van de dood kan alleen al door de onvoorspelbaarheid en wispelturigheid ervan niet volmaakt zijn.

Veel van deze beperktheid is het menselijke onvermogen tot communicatie. Door zijn stilistische taaiheid vestigt Buller se plan de aandacht op het literaire werk als tekstconstructie en als communicatie-instrument. Vragen over de functie van kunst en over de adequaatheid ervan als spiegel van de menselijke ervaring vloeien hieruit voort. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat de roman bol staat van verwijzingen naar schrijvers en beeldende kunstenaars. Het intertekstuele verwijzingsraamwerk is bijzonder dicht geweven. Ook humor ontbreekt niet in dit fascinerende werk. Het debat of Buller se plan een tour de force of een grandioze mislukking is, zal nog wel enige tijd duren. Aan de lezer om zijn eigen opinie te vormen.

Ook door Woordwerk van Breyten Breyrenbach loopt de dood als rode draad.

Het boek is een associatieve bezinning op het leven dat voorbijgaat. Het streven van de mens krijgt in het licht van de dood een absurd-pathetisch maar ook aandoenlijk karakter. Zelfs het schrijfproces wordt erdoor gerelativeerd. Woordwerk laat een meer melancholische Breytenbach zien die, in zijn typische stijl, vanuit een persoonlijke invalshoek met verwondering en groothartigheid commentaar levert op het menselijke bedrijf.

In Vonkfiksie, een verzameling van 45 mini-verhaaltjes slaat de dood eveneens genadeloos toe. Het zijn verhalen op het scherp van de snee, hard als een punch. Het uitgebreid gezelschap auteurs behandelt een grote diversiteit aan onderwerpen. De onvervuldheid van het leven als gevolg van eenzaamheid of het verlangen naar een liefdesrelatie is een terugkerend gegeven. De mens is niet geboren om gelukkig te zijn en de omstandigheden in Zuid-Afrika dragen daar niet toe bij: gevaar en geweld dreigen overal. Toch wordt van de schrijver verwacht dat hij, ondanks alles, de wanhoop doorbreekt: "Maar iewers moet jy 'n manier van vertel vind wat sal spreek van hoop midde-in hierdie gewetensmoeras".

Diverse ontwikkeling

De Zuid-Afrikaanse schrijver heeft ook het Internet ontdekt. Die rooi roman, een spionageverhaal, is het product van de inspanningen van een schrijverscollectief. Ze hadden zich beter de moeite gespaard.

Er zijn het voorbije jaar ook enkele belangrijke literair-historische werken over de Zuid-Afrikaanse literatuur verschenen. Van de hand van J.C. Kannemeyer en van J.C. Steyn zijn twee monumentale biografieën, respectievelijk van C.L. Leipoldt en van N.P. van Wyk Louw getiteld Leipoldt, 'n lewensverhaal en Van Wyk Louw, 'n lewensverhaal. Hennie van Coller is de redacteur van het tweedelige Perspectief en profiel. Het bevat naast overzichten van de poëzie, het proza en het drama ook uitgebreide schrijversportretten van de belangrijkste Zuid-Afrikaanse schrijvers. Perspectief en profiel is een onmisbare bron van informatie en een uiterst handig en volledig naslagwerk.

De Zuid-Afrikaanse schrijver verbloemt de werkelijkheid niet. De menselijke conditie en de problemen waarmee Zuid-Afrika te kampen heeft, laten weinig of geen ruimte voor onbevangen uitingen van optimisme. De somberheid overheerst maar er zijn toch ook tekens van hoop en gebaren van vertroosting. De maatschappelijke betrokkenheid van de Zuid-Afrikaanse schrijver staat borg voor, niet altijd vlekkeloze, wel steeds boeiende en dikwijls aangrijpende literaire werken.

Informatie over Zuid-Afrikaanse literatuur is te vinden op website: move-in.to/gramadoelas

Publiseer: Januarie 2009

 

© Catharina Loader 2001