Letterkunde

Tussen nietigheid en oneindigheid

Wilma Stockenström is in 1933 in Napier in Zuid-Afrika geboren en heeft 7 dichtbundels gepubliceerd. In 1970 debuteert ze met Vir die bysiende leser. Daarop volgen Spieël van water (1973), Van vergetelheid en van glans (1976), waaraan de Hertzogprijs voor poëzie werd toegekend, Monsterverse (1984), Die heengaanrefrein, een lang gedicht geïnspireerd door de landing van de Hugenoten aan de Kaap in 1688 (1988), Aan die Kaap geskryf (1994) en tenslotte Spesmase (1999). Daarnaast schreef Stockenström, die ook actrice is, het toneelstuk Laaste middagmaal (1978) en de prozawerken: Uitdraai (1976), Eers Linkie dan Johanna (1979), Die kremetartekspedisie (1981), haar meest gewaardeerde roman, Kaapse rekwisiete (1987) en Abjater wat so lag (1991), waarvoor ze de Hertzogprijs voor proza ontving. In 2000 verscheen Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer, een bloemlezing uit de poëzie van Wilma Stockenström met naast het oorspronkelijke Afrikaans de Nederlandse vertaling door Robert Dorsman.

Wilma Stockenström heeft een niet erg omvangrijk maar wel een solide oeuvre opgebouwd. Samen met Elisabeth Eybers, Antjie Krog, Lina Spies, Ina Rousseau, Sheila Cussons en Ingrid Jonker, die een leeftijdgenoot van haar is, heeft ze, na een periode van mannelijke dominantie met N.P. van Wyk Louw, W.E.G. Louw, D.J. Opperman en Ernst van Heerden als toonaangevende dichters, een uitgesproken vrouwelijke stempel op de Afrikaanse poëzie gedrukt.

Wilma Stockenström debuteert op 37-jarige leeftijd. Reeds in haar eerste bundel, Vir die bysiende leser, etaleert ze een opvallend technisch meesterschap en een verbluffende voldragenheid van visie. Stockenström houdt zich aan een vrije versvorm die ze toch niet onbeperkt laat uitdeinen: een regelmatige strofebouw en een gelijke verslengte zorgen dikwijls voor een strak tekstbeeld. De klank krijgt alleen een functionele aanwending; naar een welluidend klankenpatroon wordt niet gestreefd. De wetten van de grammatica worden met de voeten getreden. De zinnen zijn onaf en lopen hortend waardoor ze hun betekenis niet zomaar prijsgeven. Enjambementen zijn schering en inslag. Woorden worden oneigenlijk gebruikt; neologismen komen veelvuldig voor. De beeldentaal van Stockenström verrast door haar originaliteit, reikwijdte en geserreerdheid. Het samenspel van de beelden is dikwijls surrealistisch en herhaaldelijk grotesk van inslag. Betekenis komt vaak door symbolische suggestie tot stand. In de poëzie van Stockenström is de verbeelding aan de macht, alleen in toom gehouden door de onverbiddelijke rechtlijnigheid van de eigenzinnige logica die zich in de gedichten ontvouwt.

Stockenström is wars van elke vorm van mooischrijverij. In het gedicht 'Ek wantrou woorde' laat ze daarover niet de minste twijfel bestaan:

Met woorde word die huis

van verraad behang. Met woorde die doodsvonnis

gevel. Veral twyfel ek

aan die pralende Woord verwring tot goue

ontploffings van barokaltare en aasvoëltogas,

die Woord wat die seën uitspreek oor sinisme. (VBL* 51)

Woorden zijn niet te vertrouwen; ze maken wat leeft dood. In het gedicht ‘Vermont’ (SW 32) reduceren ze de kleurrijke natuur tot een smakeloos supermarktproduct alleen geschikt voor massaconsumptie.

Daarenboven levert het schrijfproces zelf weinig vruchtbaars op behalve "Disparate reëls wat nie wil klont." (Monsterverse 14); de titel van het betrokken gedicht, namelijk 'Ontbeerlikste der kommoditeite, die poësie!', laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Gedichten kunnen alleen maar 'Gekwetter' zijn "wat slapenstyd sal oplos" (Spesmase 32), verwoede pogingen om de leegte waarin de dichteres zich bevindt met woorden te vullen; ze is inderdaad iemand die helemaal niet weet wat ze zoekt of waarheen ze op weg is. Ze wil trouwens niets vinden en nergens aankomen.

Ook de aard van het land waarin Stockenström woont, laat niet toe dat poëzie tot een ijdel, zuiver esthetisch spel verschraalt. Het gedicht 'Die loeries' - een loerie is bontgekleurde, papegaaiachtige vogel - handelt over een lichtzinnig gekoketteer met schoonheid want: 

Om pragtig met pragtig te paar

is kuns om die kuns

in 'n land so droog soos ons s'n. (VBL 55)

Stockenström kijkt niet door een roze bril. 'Dwaas met bril', het openingsgedicht uit haar eerste bundel, is haar dichterlijke credo waaraan ze steeds trouw is gebleven. De vrouw die de ik in de weerkaatsing van haar bril ziet, dwingt haar om uit "Liefde en Waarheid" (VBL 9) oog te hebben voor de scherpe kanten van het leven. In 'Kolganse' uit Spesmase, haar laatste bundel, is de ik de enige die in de lucht het onderlinge gevecht tussen de kolganzen opmerkt; alleen zij kijkt naar boven. Maar ze vraagt zich dan af of haar waarneming het resultaat is van haar schrijversverbeelding of van duivelse krachten. Toch kan ze het niet nalaten om een ‘Vrou met snoet’ (Spesmase 38) te zijn, iemand die, zelfs ten koste van haar eigen gezondheid, alles uitsnuffelt waarbij ze zich door haar hart en geweten laat leiden.

Doorheen het werk van Stockenström is een voortdurende bezinning aanwezig op het dichterlijke ambacht en op de taak van de dichter. Voor de dichteres is er geen ontsnapping mogelijk uit het woord. Bij het lezen van de poëzie van Stockenström is de lezer zich voortdurend bewust van het literatuurmatige karakter ervan. Haar gedichten zijn dichterlijke maaksels, kunstmatige constructies en dus bewuste pogingen om met taal als grondstof een woordkunstwerk tot stand te brengen. In 'Die eland' (VVG 47) brengt de boesmankunstenaar op wonderbaarlijke wijze de eland weer tot leven tegen de rotswand van een grot. Zoals de eland op de rotswand getuigen de gedichten van de creatieve kracht van Wilma Stockenström. Ze beschikt immers over de gave om leven aan de dood te onttrekken. Het gedicht als creatie van de menselijke geest vormt een schans tegen de onvolmaaktheid en de eindigheid van het leven. Het gedicht heeft steeds het laatste woord. In de poëzie van Wilma Stockenström bestaat er daardoor een sterke maar ongelijke spanningsverhouding tussen het gedicht als literaire schepping en de taak die de dichteres zich toegemeten heeft namelijk om: 

[…] teen wil en dank

die skrynende blootstel van aard en aarde. (Kaap 7)

Wilma Stockenström schrijft geen belijdenislyriek. Haar gedichten bevatten geen intieme ontboezemingen of vormen geen persoonlijk dagboek. De focus valt niet op de individuele ervaring maar op de essentiële beleving van de condition humaine. Ze geven een kijk op, brengen een beschrijving of een beeld van het menselijke bestaan en van de plaats van de mens in het heelal. Emoties worden niet rechtstreeks onder woorden gebracht. Er wordt afstand gecreëerd die echter onmiddellijk weer opgeheven wordt. De realisering dat de gedichten het lot van elke mens onder woorden brengen geeft ze een intense geladenheid en een bijzondere trefkracht.

Reeds in Vir die bysiende leser zijn alle kernthema’s uit het werk van Stockenström aanwezig. Centraal staat de geworpenheid van de mens op aarde. Hij is uit het paradijs verdreven en wordt geconfronteerd met zijn eigen beperktheden en de onvolkomenheden van een bestaan dat onherroepelijk op de dood uitloopt. De mens is uiterst kwetsbaar en tot eenzaamheid gedoemd. Het leven is een proces van geleidelijke aftakeling. Menszijn betekent dan ook het opgeven van alle illusies en het aanvaarden van de gebondenheid aan de aarde:

Dit is afstand doen  

Om

soos ‘n vlieënde mier vlerke in bruin rame

oënskynlik moeiteloos te laat vaar, veranderd

voort te kruip, ligter maar soveel kleiner,

onthef van ekstase en vir goed aards,

dit is afstand doen, dit is voortaan

gelyk loop en nooit weer opwaarts na lig,

verheerlikte heerlikheid van lig,

nooit meer te streef of selfs te soebat

om lig. (VVG 33)

Binnen de kosmische orde stelt de mens niets voor. Hij is slechts “uitskot in die vergetelheid” (Monsterverse 40). Er is ook geen almachtige en menslievende God die het heelal bestuurt. De schepping is het resultaat van voortteling door een reuzengrote, insectachtige broedmachine of van louter seksuele drift. Ze heeft niets verheffends in zich.

In de bundel Monsterverse geeft Stockenström een bijzonder navrante verwoording aan de totale uitzichtloosheid van het menselijke bestaan en van de oerangst die als gevolg daarvan van de mens bezit neemt. Wanhopig poogt de mens om: 

Net 'n duikie te maak met 'n gedagte

in die wand van ons al, die sagte

hulsel teen onthulling, daarmee wil ek

volstaan. (Monsterverse 49)

Deze poging levert weinig of niets op. De mens zelf is immers, ondanks de frenetieke activiteit die hij tentoonspreidt, schepper van leegheid: 

dié behaarde buis van glorie en smet,

'n sotterny van mismoedigheid. (Monsterverse 12)

Toch is de mens steeds op zoek naar sublimatie van zijn existentiële onvrede. Hij blijft streven naar een toestand van volkomenheid en helderheid. Vertroosting vindt hij in de verbondenheid met de dierenwereld en in de gelaten aanvaarding van zijn onvolmaaktheid en van zijn sterfelijkheid.

Het besef van de nietigheid van de mens is ook een prominent thema in Spesmase, de voorlopig laatste bundel van Stockenström. Spesmase betekent vermoeden, gissing, veronderstelling. Spesmase is een mijmerende, zelfs nostalgische bundel over het voortschrijden van de tijd en de naderende dood. De herinneringen aan jeugdige uitbundigheid of aan huizen die knus ingericht werden, roepen een zoetzuur heimwee op. Met het ouder worden krimpt het leven meedogenloos. Uiteindelijk rest er alleen nog de begeerte naar een "verdrietloos en verlangeloos" (Spesmase 14) bestaan.

Stilte

Om my ’n stilte

van blare wat regaf hang

aan stamverwante twyfel en geloof.

Die boom haal skouers op.

Stil val tak en tak

se denke en vermolm. (Spesmase 29)

Toch blijft er steeds een greintje hoop dat de dood niet het absolute einde betekent.

Waar voor Wilma Stockenström het leven weinig soelaas biedt, kan haar kijk op de mens zelf niet positiever zijn. Hij is in het gedicht 'Ecce homo' "die mens, die sot, die groot toneelspeler" (SW 10). Hij bulkt van de ijdelheid en beschouwt zichzelf als veel belangrijker dan hij is. In zijn grootheidswaanzin wil hij zelfs een denkbeeldige God naar de kroon steken. Toch is hij helemaal niet uniek. De beschaving die hij tot stand gebracht heeft, is onbeduidend en de menselijke geschiedenis is slechts een momentopname in de grote gang van het heelal.

De mens lijkt vooral negatieve eigenschappen te bezitten. Hij is oorlogszuchtig, wreedaardig, hebzuchtig en potsierlijk. Hij praat voortdurend onzin en is een vat vol tegenstrijdigheden. Met zijn ratio zoekt hij naar kennis maar toch is hij gedoemd om met twijfel en onoplosbare raadsels te blijven leven. Trouwens, als puntje bij paaltje komt, deinst hij ervoor terug om tot absoluut weten door te dringen. Daarom probeert hij om: 

Te vernietig die oog, blind van heldersiendheid

wat is in die begin: bron, bewussyn, helse wete. (SW 61)

Terwijl de poëzie van Stockenström enerzijds door de focus op de condition humaine een universele inslag heeft, is er anderzijds een erg concrete dimensie in aanwezig. Stockenströms gedichten getuigen van een directe betrokkenheid bij de politieke situatie in Zuid-Afrika. Ze hekelt niet alleen de hypocrisie van de politici die slechts hun eigenbelang en het behoud van hun machtspositie op het oog hebben maar in de gedichten ‘Goewermentsmusiek’ en ‘Politikus’ uit Vir die bysiende leser drijft ze ook de spot met het benepen provincialisme en het populistische nationalisme van de Zuid-Afrikaanse machthebbers.

Ook de apartheid neemt ze op de korrel. De scheiding tussen de rassen is haast onoverbrugbaar groot. Iedereen zit gevangen in het compartiment van zijn vrees. De retoriek van de politici speelt hier doelbewust op in door weerbaarheid te propageren. De status-quo kan echter niet blijven duren. Iedereen kan de voortekens waarnemen. In haast visionaire gedichten zoals ‘Die siener’, ‘Die inbraak van die Mamba’, ‘Die verskrikking’ en ‘Vraetyd’ uit Vir die bysiende leser en ‘Ooskus’ uit Spieël van water wordt meer dan duidelijk gemaakt dat de opstand broeit en verandering onherroepelijk op komst is:

Pretoria  

Druk ek

die stofbereënde ruit

oop teen die lug se diep troupandblou

ontwar ek

tussen jakarandas se groen volstruisvere

vrouens

geil in die ander tyd

hul eerstelingpokkels in stootwaentjies

na die supermark en poskantoor stoot

so

loom tevrede

van meer wees as net self.

Slaap, my vet wit ruspetjie, slaap sag.

Die diender en die dominee hou oor jou die wag.

Daarbuite in die miershope wag die swart miertjies vir jou.

Lank, lank gelede was die miere ’n groot swart klad.

Nou woon hul wettig in hope reg rondom die stad.

Slaap rustig, mamma se ruspetjie, slaap sag. (VBL 61)

Maar ondanks de benepenheid, de kortzichtigheid en de sterfelijkheid van de mens blijft het leven waard geleefd te worden. Menszijn is het kostbaarste dat er bestaat. Het besef ooit een mens te zijn geweest en “die wonderbaarlikheid van liggaam” (Spesmase 10) te hebben ervaren, verschaft voldoende genoegdoening. Het negatieve, het lijden is inherent verbonden aan het bestaan en maakt de mens tot wat hij is: 

As mens, tot pyn in staat, wil ek leef,

die uiterste mens, gesertifiseer mal. (VBL 16)

Bovendien biedt het leven ook vreugdevolle ervaringen. De kosmos wordt zelfs af en toe tot een paradijs omgetoverd. En al zijn liefde en geluk vluchtig, toch maken ze het leven waardevol:

Te veel lig II

Van al my liggeel dae

teken ek hierdie een op;

dat ek later kan weet hoe swerms

duiwe van die takke waai,

en dat ek, as ek wil,

later kan lees van ’n liggeel

dag en van jou hier langes my. (VBL 22)

Naast zelfzuchtigheid is de mens ook tot opoffering in staat en bereid zijn leven te geven voor zijn medemens. De vrouw bezit de gave van barmhartigheid in overvloed. Ze treedt als een beschermengel op; ze brengt heil en koestering door haar warmte en haar totale, ook seksuele, overgave. Dezelfde eigenschappen worden aan de natuur en de aarde toegedicht. De aarde is de almoeder, die steeds opnieuw de dood overwint en de weelde van de natuur onzelfzuchtig aan de mens aanbiedt.

Stockenström heeft bijzondere aandacht voor de natuur en de aarde als de verblijfplaats, ook vanuit een kosmische optiek, van de mens. Doordat ze de mens ziet als een nietig onderdeel van het heelal, kent de dichteres aan de natuur eigenwaarde en zelfstandigheid toe. Aan de ene kant houdt de natuur zich afzijdig van de mens. Door de dreiging die ervan uitgaat en de verwoestende kracht ervan maakt ze hem bewust van zijn machteloosheid en vergankelijkheid. Aan de andere kant biedt de natuur vertroosting en heeft ze zelf bescherming nodig omdat ze weerloos is tegen de aanslagen van de mens. Daarnaast beeldt de natuur diverse facetten van het menselijke leven uit. Ze weerspiegelt zowel de begrenzingen van het bestaan als de verzuchtingen van de mens, zoals zijn verlangen naar bewusteloosheid, naar vereenzelviging met de ander en naar geluk en volkomenheid.

De bundel Aan die Kaap geskryf is volledig geïnspireerd door Stockenströms affiniteit met haar omgeving en behandelt zowel het landscape als het cityscape, in ruime zin, van de Kaap: Kaapstad en zijn inwoners, Tafelberg, mist, bomen, de wind, de zee, boten, musea. Over de bundel hangt een herfstachtige, droefgeestige sfeer. Reeds in het eerste gedicht geeft de dichteres aan dat ze liefst niet over de winterse barheid van Kaapstad zou schrijven: 

Hou my hand vas dat ek nie skryf

oor die gebiedende heerlikheid van die jaargety

wat skraal staan van ontbloting nie,

dat dit gered word van digter-aanmatiging

en dwingende neerpen teen wil en dank,

die skrynende blootstel van aard en aarde. (Kaap 7)

Maar ze kan niet anders. De schoonheid van de Kaap wordt ontluisterd en de armzaligheid van het menselijke bestaan vooral in natuurbeelden uitgebeeld.

In tegenstelling tot de natuur is de mens "opgefokte saad" (Kaap 20); hij heeft geen morele normen en is gewelddadig en moordzuchtig. De natuur gaat echter onverstoorbaar haar gang. Zij is onberekenbaar, zonder “nut én estetika” (Kaap 38). Ze is weldoener en geweldenaar. Maar uiteindelijk wacht op alles “die einde, die beëindiging. Die amen” (Kaap 34).

Wilma Stockenström gaat in haar dichtwerk de uitdaging aan om de essentie van het menselijke bestaan te doorgronden. Compromisloos schept ze haar eigen poëtische ruimte waarin enerzijds de taal van alle franje gestroopt wordt en anderzijds de verbeelding de hoogste vluchten neemt. Het verwijzingsraamwerk in haar gedichten is bijzonder omvattend: van de big bang over de Australopithecus africanus tot aan de maanlandingen; van de vroegste geschiedenis van Zuid-Afrika over de bosjesmannen tot het huidige geweld in de Kaap; van Van Riebeeck over de voortrekkers tot de apartheid. Ondanks de universaliteit van de door haar behandelde thematiek is de poëzie van Wilma Stockenström diep in de Zuid-Afrikaanse bodem geworteld. Het landschap en de dierenwereld, het verleden en het heden van Zuid-Afrika zorgen voor een stevige lokale verankering. Bovendien schuwt Stockenström geen directe commentaar op de politieke situatie in Zuid-Afrika. Ze neemt expliciet stelling in tegen de apartheid. Wilma Stockenström is uit en uit een Afrikaanse dichteres die vanuit haar Zuid-Afrikaanse achtergrond getuigt van een essentieel en universeel menszijn. Ze heeft een oeuvre gecreëerd dat gekenmerkt wordt door een opvallende thematische hechtheid, een meesterlijke poëtische verwoording en een intense gedrevenheid. Het blijft de lezer verrassen door zijn hoogstaande poëtische kwaliteit en aangrijpen door zijn doorleefde menselijkheid.

 

* Gebruikte afkortingen: VBL: Vir die bysiende leser, SW: Spieël van Water, VVG: Van vergetelheid en van glans, Kaap: Aan die Kaap geskryf

Vir die bysiende leser werd uitgegeven door Reijger-Uitgewers, Kaapstad; alle andere dichtbundels door Human & Rousseau, Kaapstad.

Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer bevat een selectie poëzie gekozen en vertaald door Robert Dorsman. De bundel is uitgegeven bij Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen.

2004

 

© Catharina Loader 2001