Letterkunde

Rotstekening van ´n eland
Foto Ceres Museum [3]

Die eland van Wilma Stockenström

Gedicht van Wilma Stockenström bij een rotstekening

Eens te meer hadden we het voorrecht het Seminarie Afrikaanse Taalkunde bij te wonen aan de Universiteit Hasselt van 1 tot 7 juli 2007. De professoren Hein Grebe en Willem Botha verzorgden de lezingen.

Professor Hein Grebe van de universiteit van Pretoria wilde ons in zijn eerste lezing leren om opnieuw of voor het eerst teksten in het Afrikaans te lezen en te vatten. Zijn uiteenzetting stond in het teken van de spanning van het Afrikaans tussen twee werelden, die van Europa en die van Afrika. Bij de zorgvuldig gekozen teksten was er het gedicht van de merkwaardige Wilma Stockenström “Die eland” uit haar bundel “Van vergetelheid en glans”. Om het gedicht te illustreren had Hein Grebe de afbeelding van een prachtige rotstekening op het internet gezocht waarop de eland van een Sanman geschilderd staat. Het was precies alsof Wilma Stockenström volkomen werd geïnspireerd bepaald door die afbeelding of door de beschouwing zelf van de rotstekening ter plaatse, waar ze nu nog bekeken kan worden.

Het gedicht zelf riep de herinnering op van een gelijkaardige lezing tijdens het seminarie Afrikaanse literatuur in 2002, toen Erika Lemmer het had over ecoliteratuur. Zij koos ook een bijzonder treffend gedicht van Johann Lodewyk Marais uit om die ecoliteratuur voor te stellen. Het handelde ook over een typisch Afrikaans dier als in het gedicht van Stockenström. Bij Marais ging het namelijk over de “bloubok” die door blanke jagers werd uitgeroeid en waarvan we enkel nog opgezette exemplaren kunnen bekijken in Europese musea. Maar ook Erika Lemmer had ter illustratie een schitterende witzwart tekening meegebracht met de afbeelding van de bloubok.

Naar aanleiding van de kennismaking met ecoliteratuur dankzij het college van prof. Erika Lemmer schreef ik daarover in juli 2002 het volgende:

"Uit het gedicht klinkt nostalgie op naar de verdwenen blauwbok, maar ook protest en bewustmaking. De dichter geeft het prachtige dier in en door zijn gedicht blijvend gestalte. Een aandachtige grondige lectuur van het gedicht toont aan hoe de blauwbok door de bezwerende kracht van het gedicht als het ware vereeuwigd wordt. Is de man die de laatste blauwbok afschoot schuldiger dan de man die de eerste afschoot? Jawel. Er draaft geen blauwbok meer over de grasvlakten, maar het vers van Marais behoedt de blauwbok voor totale verdwijning uit het mensengeheugen. Het roept samen met de tekening van le Vaillant uit 1781 de prachtige figuur op van het dier in de verstolling van de tijd. Zo was dit heerlijke stukje ecoliteratuur even het onderwerp van “ecokritiek”. [1]

De parallel met Marais kan worden doorgetrokken in “Die eland” van Stockenström. Hier doodt de sanman de eland omdat die zijn belangrijkste bron van voedsel uitmaakt. Hij verwisselt in het gedicht zo treffend boog en pijl voor teken- en schilderkwast waarmee hij het dier, dat zo van betekenis was in zijn leven ook kunstig vereeuwigt op de rots onder de overhangende wand dicht bij het kwarriestruikgewas. Hier vereeuwigt niet de dichter door zijn dichterlijk woord het dier, maar hier schetst de dichteres het vereeuwigen van het dier door de kunstzinnige hand van de San. Het is hier bepaald geen kritiek laat staan ecokritiek, maar het dichterlijke woord verheerlijkt hier de scheppingsdaad zelf van de Sanman die jager is én kunstenaar en die zichzelf en het dier tot leven brengt en vereeuwigt in de prachtig omlijnde en kleurrijke rotstekening.

Een mooie omschrijving van het gedicht in het Afrikaans vinden wij in het artikel van de literatuurhistoricus J.C. Kannemeyer in het tijdschrift Ons Erfdeel jaargang 41 uit 1998 Die mens tussen vergetelheid en glans - Oor die werk van Wilma Stockenström (blz. 235 -244).[2]

Voor Hein Grebe is het gedicht een stukje toe-eigening. Kijk eens, zegt Stockenström, wat heerlijks die Sanman hier maakt, creëert, ons als vereeuwigd monument van zijn kunnen achterlaat op die rotswand. Wellicht maakte hij het voor zichzelf. Maar wij kunnen het bekijken en bewonderen. Het is een stukje Afrikaans patrimonium geworden. Het hoort bij de Afrikaanse wereld, het hoort bij ons die dit stukje continent bewonen. Wij mogen er fier op zijn. Het is heerlijk om naar te kijken. Het is gewoon prachtig. Het is een vreugdeverschaffende uiting van eigen kunst. Wij eigenen het ons als dusdanig toe. Het leeft voortaan als ons gegeven voort. Dank aan de San die het voor ons als eigen aan Afrika schiep. Prof. Grebe mag mij corrigeren als ik hier zijn begrip van toe-eigening niet naar zijn eigen inzicht heb vertolkt. Mogelijk glimlacht de wijze Wilma Stockenström als zij dit leest, maar zijzelf dicht zo autonoom, dat zij hier beslist geen commentaar op wil geven. Zij wil het gedicht voor zichzelf laten spreken. Het liefst nog zouden wij het haarzelf willen horen voordragen. Intussen moeten wij het wel doen met haar tekst alleen. Die vraagt een langzame indringende lectuur, maar als je die kan opbrengen, dan kan het gedicht een diepe en blijvende indruk op zijn toegewijde lezer maken.

Zoals voor Die bloubok van Marais verstouten wij ons hier om naast de originele tekst van Stockenström in het Afrikaans onze eigen vertaling naar het Nederlands toe te presenteren. Die wijkt wel af van de vertaling die Robert Dorsman publiceerde in zijn bloemlezing van Stockenströms gedichten, Vir die bijsiende leser - voor de bijsiende lezer (Uitg. Atlas Amsterdam-Antwerpen, 2000).

Wij laten de dichteres hier eerst voluit aan het woord. Daarnaast plaatsen wij onze tekst in het Nederlands die we met de hulp van prof. Hein Grebe en prof. Luc Renders en zijn dame tot stand hebben kunnen brengen.

DIE ELAND[3]

Dat die klein-klein handjie se aanraak
die eland laat opspring en rooi en vaal draf
dit is die wonder wat hom voltrek in die grot

geel vinger rooi klei dit is die wonder
die eland lewend geraak op die wand van klip
die groot geel mensie en die klein bruin eland

die groot oker dier staan op uit die stof
en bekyk die lewe gelate geverf
uit die bek van die grot by die bak ghwarriebos [4]

menseskepsel loop uit uit die bakkrans
uit na die vaal trop doer teen die vlak
om die wind te skep en die kort pyl te skiet
om die bok te skep met die horings swart
en die buik zo vaalrooiskurf teen die vaal platklip
en die sterk pote en die stomp stert en die riffelkwakkie

dit is die wonder wat hom voltrek as die pyl
in die hand wat hand bly kwas wordt
hand wat die klip laat leef

hand wat laat leef lewende hand
doop in slang en gifbol se gif die pyl
en span die boog breed soos die horison
na die teiken geteken teen die groot-groot lug.

DE ELAND

Dat het kleine handje hem aanraakt
de eland doet opspringen en rood en vaal laat draven
dit is het wonder dat zich voltrekt in de grot

gele vinger rode klei dit is het wonder
de eland geraakt levend op de wand van de rots
het grote gele mensje en de kleine bruine eland

het groot okeren dier staat op uit het stof
en bekijkt het leven gelaten geverfd
vanuit de bek van de grot bij het ghwarriehoutgewas

mensenschepsel loopt uit de overhangende rotsholte
naar de vale troep op de vlakte
om de wind te scheppen en de korte pijl te schieten

om de bok te vatten bij de zwarte horens
en de buik zo vaalrood ruw tegen de vale platte rots
en de sterke poten en de stompe staart en het gerimpeld keelvel

dit is het wonder dat zich voltrekt als de pijl
in de hand die hand blijft kwast wordt
hand die de rots doet leven
hand die de levende hand doet leven
doop de pijl in slang- en plantengift
en span als de horizon breed de boog
naar het doelwit getekend tegen de grootse lucht

Een indringende karakterisering van het dichtwerk van Wilma Stockenström door prof. dr. Luc Renders van de Universiteit Hasselt vindt u op de website van de Afdeling Neerlandistik Universiteit Wenen onder Afrikaans in Europa. Zijn tekst draagt de titel Wilma Stockenström: tussen nietigheid en oneindigheid.

Voetnotas

2. J.C. Kannemeyer. 1998. ‘Die mens tussen vergetelheid en glansOor die werk van Wilma Stockenström’ In: Ons Erfdeel. Jaargang 41.

4. Ghwarrieboom: soort sierlijke, bladhoudende, wilde struik of boom (Euclea undulata), in het Afrikaans ook bekend als raasbessie, kwar.

Hasselt, 29 julie 2007

 

Publikatie: September 2007

Artikels ook gepubliseer in VVM-Nieuws (Vereniging voor Vlaamse Moedertaaldidactici)

 


© Catharina Loader 2001